100 jaar Begrafenisvereniging Spijk 1857-1957

Omdat de begraafplaats rond de kerk vol begon te raken, werd er door de Vereniging "Het Karspel Spijk" uitgezien naar een perceel grond aan de rand van het dorp, om daar een nieuwe begraafplaats te stichten.

Nu was er in het jaar 1857 aan de zoals toen genoemde Provincialen Kunstweg, nu Hoofdweg Zuid, een stukje land te koop inclusief een af te graven weg tot de provinciale weg, ter grootte van 50 roeden (aren), eigendom van mevrouw Nijsiena Martha Simons Groenewolt, echtgenote van de heer Sikke Derks Barghoorn, geneesheer te Spijk. Deze 50 are grond was het noordoostelijke deel van een perceel land ter grootte van 1 bunder, 5 roeden en 2 ellen (1 ha, 5 are en 2 ca.)

Om tot aankoop over te kunnen gaan, werd een machtiging door het karspel opgesteld die door 63 personen werd getekend en waarbij de heren Hendrik Jans van der Veen, Pieter Heertjes Dijksterhuis en Willem Jacobs Bakker, allen landbouwer te Spijk, opdracht kregen om als bestuurders van de vereniging onder benaming "Karspel Spijk", bovengenoemd perceel te kopen. Deze machtiging werd geregistreerd ten kantore van de Hypotheken en het Kadaster te Appingedam op 18 december 1857. Wanneer de verkoop heeft plaatsgevonden is niet bekend, wel dat het door deze 3 heren voor het karspel werd gekocht voor de prijs van € 907,56 (fl. 2.000,00). Het werd aanvaard op 1 maart 1858 en op 19 mei 1858 beschreven ten kantore van Mr. S.Reynders, notaris te Appingedam.

Verkoopster en kopers vertrouwden elkaar blijkbaar uitstekend, want reeds op 6 januari 1858 werd het graven van de gracht aanbesteed. Deze moest een lengte krijgen van 251 Nederlandse Ellen, een wijdte van 6 Ellen en een diepte van 36½ Nederlandse Duimen. De vrijkomende grond moest over het terrein gebracht en daarmee geëgaliseerd. Verder lag er op de scheiding van het perceel met de molen van Nieveen nog een aarden wal, die eveneens over het terrein gebracht moest worden. In de bodem van de gracht moest een sleuf gegraven worden van 5 palmen breedte en 3 palmen diepte. Bij oplevering van het werk moest deze gleuf vol water staan, zodat men kon zien of er waterpas gegraven was. Aannemers van het graven der gracht waren de timmerman Jan Jans Sijtsema, landbouwer Willem Jacobs Bakker en dagloner Alle Luitjens Smit, voor de som van € 198,76 (fl. 438,00). Dat de opdrachtgevers destijds nogal wat te zeggen hadden, blijkt wel uit Artikel 7 van het aanbestedingsreglement. Hierin staat nl. vermeld dat de "Uitbesteders het recht hebben alle dronkzieke, brutale of ongeschikte arbeiders te weren of uit het werk te zetten en desnoods voor het dubbele daggeld anderen in hun plaats aan te nemen, op kosten van de aannemers".

De volgende aanbesteding vond plaats op 8 juni 1858 en betrof het plaatsen van 2 hekken, één aan de weg en één op de dam van de begraafplaats. Zowel de hekken als de de palen waar ze draaiden, moesten van zuiver grenen hout gemaakt worden. De palen mochten ook van eikenhout, waarvoor een verschil van € 26,32 (fl. 58,00) gesteld werd. Het houtwerk moest 2 keer met olieverf geschilderd, het ijzerwerk 1 keer met "romenie" (rode menie). Aannemer van dit werk was de heer Marten Wiendels Lanting voor de som van € 88,94 (fl. 196,00). Tenslotte werd op 24 juli 1858 het huisje op de begraafplaats aanbesteed. Het valt op, dat in dit bestek de

Groninger maat werd voorgeschreven, voeten en duimen, dit in tegenstelling met de voorgaande bestekken, waar de Nederlandse maat aangehouden werd, ellen en duimen. De lengte van het huisje moest 17 voet (is ca. 5 meter) worden, de breedte 10 voet 3 duim (is ca. 3 meter). Het fundament moest in leem gemetseld worden van montsteen, daarna 8 lagen montsteen in sterke tras en de rest in zandkalk van gare steen. De sterke tras moest bestaan uit 2 delen kalk en 1 deel tras (tot poeder gemalen tufsteen), de zandkalk uit 2 delen kalk en 1 deel zand. Artikel 5 van het bestek vermeldt: "Wanneer de grond onder de muren niet goed vast gevonden wordt, dan moet men er palen in slagen naar vereischte lengte hetzij 3- 4- of 5 voet, van elzen of jufferhout". Of dit ook gebeurt is, is niet bekend. De aanbesteding, men schreef toen uitbesteding, gebeurde ook op een manier zoals wij die tegenwoordig niet meer kennen, nl. bij inschrijving en afslag. Liefhebbers die niet ingeschreven hadden, mochten ook niet aan de afslag deelnemen. Het gehele werk moest 4 weken na aanbesteding voltooid zijn en werd voor de som van € 65,80 (fl. 145,00) gegund aan de heer Marten Wiendels Lanting, dezelfde dus die ook de hekken moest maken.

Om aan het benodigde geld te komen, zal vermoedelijk wel eerst geld geleend zijn, maar een jaar later, dus in 1859, werden er een groot aantal graven verkocht, vooral in de eerste klas. Deze werden grotendeels verkocht voor € 3,63 (fl. 8,00) per graf. Er waren er echter ook die veel minder betaalden, b.v. voor 7 graven € 8,39 (fl. 18,50) en weer een ander voor 5 graven € 2,63 (fl. 5,80). Bij de 2e klas graven valt er geen lijn in de prijzen te bespeuren. Sommige zijn verkocht voor € 0,44 (fl. 0,96), andere voor € 0,52 (fl. 1,15), weer andere voor € 0,95 (fl. 2,10) per graf. Door sommige families werden vrij veel graven gekocht; er was zelfs 1 familie die 21 graven kocht. Zodoende werd er in 1859 voor € 1.029,40 (fl. 2.268,50) aan 1e klas- en voor € 97,85 (fl. 215,64) aan 2e klas graven verkocht, totaal € 1.127,25 (fl. 2.484,14). Daar kwam in 1860 nog eens voor € 112,44 (fl. 247,77½) bij, waarmee het totaal bedrag aan verkochte graven op € 1.239,69 (fl. 2.731,91½) kwam.

Ongeveer 40 jaar later, op 25 maart 1896, werd er van de erven Dr. Burghgraef te Spijk 14 are en 7 centiare grond gekocht. Volgens de koopakte was dit het westelijk afgepaalde gedeelte van het kadastrale nummer 228 van sectie H der Gemeente Bierum, afgescheiden van de overige gedeelten van het kadastrale nummer, zoals op het terrein was aangegeven. Dit perceeltje strekte zich uit tot de oostelijke grenslijn van het daarvoor gelegen kerkhof, zodat de korte einden liggen in de verlenging van de noordelijke en zuidelijke grenslijn van het kerkhof, thans vermoedelijk het 4e vak noord en het 4e vak zuid van de tegenwoordige begraafplaats. De prijs die er voor betaald werd was € 544,54 (fl. 1.200,00) + nog € 136,13 (fl. 300,00) voor aankoop van de op het perceel liggende beklemming. Ook voor deze aankoop werd er door de inwoners van Spijk een machtiging afgegeven, deze keer aan de heren Johan Diederich van Halsema, Johannes Pieter van Veen en Jacob Frederik Eckhardt en getekend door 76 personen.

Tot aan het jaar 1905 werden de begrafenissen in Spijk uitgevoerd per boerenwagen, maar in dat jaar werd er een lijkwagen aangekocht. Waar de wagen gekocht werd en voor welke prijs, is niet bekend. Wel werd er een kasboek bijgehouden waarin vermeld stond wie en op welke datum er iemand begraven was, hoeveel dragers er meegeholpen hadden en wat de diverse families in rekening werd

gebracht. De eerste koetsier op de wagen werd de heer W. Pijper, voerman te Spijk, terwijl de eerste begrafenis met de wagen plaatsvond op 5 september 1905. Het betrof het 5 jarig zoontje Willem van de familie H. Buitenwerf. Ook werd de wagen soms verhuurd voor begrafenissen in Bierum en Losdorp. Voor het gebruik van de wagen met 1 paard werd € 2,27 (fl. 5,00) ontvangen. Daar moest echter nog € 0,68 (fl. 1,50) af voor koetsier Pijper, zodat er € 1,59 (fl. 3,50) voor de vereniging overbleef.

Vervolgens werd op 28 maart 1908 nog eens weer grond aangekocht, n.l. 28 are en ook weer liggende oostelijk van de begraafplaats. Dit perceel was op 25 maart 1896, dus op dezelfde dag dat het karspel de 14 are en 7 centiare kocht, door de heer J.F. Eckhardt van de erven Dr. Burghgraef gekocht. Aangezien dhr. Eckhardt toen deel uitmaakte van het bestuur van het karspel, is het best mogelijk dat Eckhardt toen reeds de gedachte had, deze grond t.z.t. te bestemmen voor uitbreiding van het kerkhof. De prijs die het karspel voor dit perceel betaalde, was € 748,74 (fl. 1.650,00). Vermoedelijk heeft het bestuur van het karspel voor deze aankoop geen machtiging van de inwoners van het dorp gehad; ze is althans niet bij de koopakte aanwezig. Deze grond is in juni 1999 bouwrijp gemaakt door de Fa. B&S uit Bierum, voor een bedrag van € 22.537,90 (fl. 49.667,00), de heg eindigend na vak 4 is weggehaald en elk pad heeft een drainage op 60 cm diepte. De buitenpaden zijn verhard met rode mijnsteen, evenals het middenpad. Het gehele perceel is ingezaaid met gras. De eerste begrafenis heeft plaats gehad op 22 februari 2000.

Tot aan het begin van de dertiger jaren ging één en ander zo rustig voort, maar toen kwamen er plannen om het Karspel Spijk op te heffen, als zijnde een min of meer achterhaalde zaak. Er bleken steeds minder mensen bereid een bijdrage aan het karspel te betalen; aangezien de reglementen van het karspel niet Koninklijk goedgekeurd waren, was het niet mogelijk deze bijdragen langs gerechtelijke weg te innen. Daar het karspel de begraafplaats in eigendom had en ook de begrafenissen verzorgde, moest hier een oplossing voor komen. Daartoe werd op 28 januari 1932 in café Dijkema een vergadering, om de afdeling begraafplaats van het Karspel Spijk op te heffen en 2 nieuwe verenigingen onder één bestuur op te richten, te weten een Begraafplaatsvereniging en een Begrafenisvereniging. Aldus werd besloten. Tot bestuursleden der nieuwe verenigingen werden gekozen de heren W.P. Wiertsema voorzitter, W. Timmer secretaris, A. Westing penningmeester, H. Meenken vice voorzitter en C. Kremer vice secr. Penningmeester. Het bestuur van het karspel bestond toen uit de heren W.P. Wiertsema voorzitter, A. Westing penningmeester; secretaris M.H. Smit was in 1931 overleden. De nieuwe verenigingen werden voor de symbolische prijs van € 0,45 (fl. 1,00) eigenaars van de begraafplaats, lijkwagen enz. De overdracht vond plaats op 5 december 1932 ten kantore van notaris G. Elzer te ’t Zandt.

De eerste dingen die door de nieuwe verenigingen werden uitgevoerd waren: Het plaatsen van een draaihekje naast het grote hek op de oprijlaan, het plaatsen van een nieuwe hek op de scheiding van de oprijlaan en het terrein van de dorsvereniging en het aanschaffen van een begraaftoestel. (Dit toestel was anno 1982 nog in gebruik). Ook de lijkwagen werd hersteld en geschilderd. Verder werd er in 1934 aan de zuidzijde van de begraafplaats en aan beide kanten van de oprijlaan

een beuken haag geplant, zodat de begraafplaats er netjes bij kwam te liggen.

Tot eind 1944 begin 1945 verliep alles op normale wijze, maar bij de bevrijding in 1945 vielen er ook in ons dorp enkele slachtoffers, terwijl door de ontploffing van de in de dorsmachineloods opgeslagen munitie op 12 juni 1945 nog eens 6 mensen het leven verloren. Zo kon het gebeuren dat er in de periode van 1 januari tot 20 juni 1945 niet minder dan 24 begrafenissen plaatsvonden. Door de reeds genoemde ontploffing werden ook het lijkenhuisje en de daarin geplaatste lijkwagen ernstig beschadigt, benevens een dertigtal monumenten op de begraafplaats. Door het bestuur werd een commissie ingesteld bestaande uit de heren G. Kremer te Spijk, H. Gast te Holwierde en K. van Kalker te Godlinze om de schade aan de monumenten te schatten. De aannemers J. Broos en H. Pijper te Spijk werd opgedragen om zo mogelijk voor 1 augustus 1945 het lijkenhuisje te herstellen. Hoeveel de herstelkosten bedroegen stond niet in de notulen vermeld, wel dat de kosten die voor vergoeding in aanmerking kwamen, € 385,82 (fl. 850,23) bedroegen; hiervan werd 75% is € 289,36 (fl. 637,67) vergoed. Voor waardevermindering werd € 127,21 (fl. 280,33) gerekend, zodat er een bedrag van € 416,57 (fl. 918,00) ontvangen kon worden. Hiervan werd € 294,96 (fl. 650,00) ontvangen als inschrijving in het Grootboek der Wederopbouw. De rest à € 121,61 (fl. 268,00) werd eind 1954 overgeschreven bij de Nederlandse Middenstands Bank.

Doordat het er in 1948 op leek dat de dorsvereniging geen vergunning zou krijgen om op haar terrein naast de oprit naar de begraafplaats een nieuwe loods te bouwen, werd het terrein door het bestuur der dorsvereniging aangeboden aan de begrafenisvereniging. Op de algemene vergadering van 19 januari 1949 werd besloten het terrein voor de gevraagde prijs aan te kopen. Kort na deze vergadering kreeg de dorsvereniging echter toch een vergunning om op het terrein te bouwen. Men vroeg daarom vernietiging van de mondelinge overéénkomst. Op de bestuursvergadering van 23 maart 1949 werd, behoudens goedkeuring der e.v. algemene vergadering, besloten de koop teniet te doen onder de volgende voorwaarden: "Er zal nimmer een woning op deze grond gebouwd mogen worden, of in de te bouwen loods een ruimte worden ingericht voor huisvesting van mens en dier. Mocht de dorsvereniging toch alsnog geen vergunning krijgen om daar ter plaatse een nieuwe loods te bouwen, dan zal de begrafenisvereniging eigenaar blijven. De loods werd echter wel gebouwd, maar de begrafenisvereniging kocht in 1952 een strook grond van de dorsvereniging om de oprijlaan te verbreden. De prijs was € 0,56 (fl. 1,25) per m2. Op de bestuursvergadering van 16 oktober 1952 werd besloten dat het hek precies op de door het kadaster aangegeven erfscheidingslijn zou geplaatst worden.

Dit stuk geschiedenis is geschreven voor de jaarvergadering van februari 1982, de auteur is de heer J. Timmer.

Op de Algemene vergadering d.d. 23 november 1990 is besloten tot wijziging van de statuten van de de vereniging, en opnieuw vast te stellen. Dit is beschreven ten kantore van Mr. H.J.K. Kuipers notaris te Appingedam volgens akte d.d. 17 december 1990. De laatste wijziging en vaststelling had plaats gehad op 18 januari 1961 en goedgekeurd bij Koninklijk Besluit d.d. 17 november 1961.

 

@ Copyright 2002 Uitvaartvereniging Spijk